taaltoets

Hieronder vind je een ‘demo-toets’ met 70 vragen. Je kunt in ongeveer 20 minuten een indruk krijgen van je taalvaardigheid, met name van de basisvaardigheden.

onderdeel werkwoordsspelling

1. De (vermelden) gegevens bleken niet meer actueel.

2. Zo'n opleiding (bieden) je goede kansen.

3. Die informatie (vinden) je niet op de website.

4. Hij (rijden) bij die snelheidscontrole veel te hard.

5. Dat klopte niet met de gegevens die hij (vermelden) had.

6. (Besteden) voldoende tijd aan de voorbereiding van je presentatie.

7. Er wordt soms illegaal olie op zee (lozen).

8. Die informatie stond niet op de site (vermelden).

9. (Vermijden) dat soort vage woorden.

10. Zij (blozen) toen ze zoveel complimenten kreeg.

11. Je (vinden) daar veel nuttige informatie.

12. Hij kon die vraag toen niet (beantwoorden).

13. (Melden) u bij de receptie.

14. Hij (trachten) toen die fout snel te herstellen.

15. Ik heb het liefst vers (bakken) brood.

16. Hij (verrassen) ons gisteren met een cadeau.

17. Je ziet wel vaker dat het weer snel (veranderen).

18. Hij doet niet altijd wat hij (beloven) heeft.

19. Het is belangrijk dat je de bron nauwkeurig (vermelden).

20. (Vinden) u dat een moeilijke vraag?

  In de oefeningen bij de e-learning is de uitleg uiteraard (veel) uitgebreider!

Fouten in de werkwoordsspelling vallen snel op en maken een negatieve indruk. De correcte spelling van de werkwoordsvormen getuigt naast kennis van regels ook van grammaticaal inzicht. Grammaticaal inzicht is onder andere belangrijk voor een correcte zinsbouw.

spelling opzoeken / spellingscontrole

21. De meeste fouten in de spelling van het Nederlands worden gemaakt in het aaneenschrijven van samengestelde woorden. De spellingscontrole signaleert deze fouten

22. Je typt: De prijs van benzine veranderd snel. De spellingscontrole signaleert

23. Je typt 'har' in plaats van 'haar'. De spellingscontrole signaleert
24. Voor het zoeken van de officiële spelling van een woord is het meest geschikt
25. De officiële spelling van het Nederlands is verplicht voor
 

onderdeel overige spelling

26. Kies de juiste spelling:

27. Kies de juiste spelling:

28. Kies de juiste spelling:

29. Kies de juiste spelling:

30. Kies de juiste spelling:

31. Kies de juiste spelling:

32. Kies de juiste spelling:

33. Kies de juiste spelling:

34. Kies de juiste spelling:
35. In de betekenis 'minimaal' gebruik je de spelling

 
onderdeel leestekens

36. Begin tijdig met de voorbereiding _ het is veel leerstof. Op de plaats van _ past het best een

37. Voor een moestuintje voor kinderen zijn snelle groeiers het meest geschikt _ radijs, sla en raapstelen. Bij _ past een

38. Ik vraag me af hoe hij zoiets voor elkaar krijgt _ Op plaats van _ komt een

39. ''Ik breng het straks wel even'': zei zij toen. Het gebruik van leestekens is hier

40. Je kon van alles kiezen _ water, thee, koffie, frisdrank, bier en wijn. Bij _ komt een

41. Zij dacht: ''Ik had dat beter niet kunnen zeggen.'' Het gebruik van leestekens is hier

42. Een jongen die zoiets zegt _ moet je niet vertrouwen. Op de plaats van _ komt

43. “Dat is onzin (1)” (2) riep hij. In deze zin komt

44. Die man (1) die aan de overkant woont (2) werkt vaak 's nachts. In deze zin komt

45. Hij zei: ''Zal ik het morgen even brengen?'' Het gebruik van leestekens is hier

  Het gebruik van leestekens wordt niet altijd uitvoerig behandeld in het voortgezet onderwijs (men vindt het vaak een lastig onderdeel). Toch is het onmisbaar voor het goed en prettig leesbaar maken van teksten.

 
onderdeel zinsdelen

46. Zij heeft hem gefeliciteerd en een zoen gegeven. Deze zin is
47. Zij heeft hem gefeliciteerd en een zoen gegeven. 'hem' is als zinsdeel
48. Zij heeft hem een zoen gegeven. 'hem' is hier als zinsdeel
49. Dit resultaat behaalde hij vorig jaar en is zijn record. De zin is
50. Dit resultaat behaalde hij vorig jaar. 'Dit resultaat' is
51. Dit resultaat is zijn record. 'Dit resultaat' is
52. Hij is toen heel kwaad geworden. 'heel kwaad' is

53. Zo'n som kun je gemakkelijk maken. 'Zo'n som' is
54. Ons hebben ze dat toen niet verteld. 'Ons' is
55. Wie heeft je dat verteld? 'Wie' is
 
onderdeel woordsoorten

56. Die speler werd ziek en naar huis gebracht. Deze zin is
57. Die speler werd ziek. 'werd is als woordsoort een
58. De speler werd naar huis gebracht. 'werd' is als woordsoort een

59. Je zult al die hoofdstukken moeten bestuderen. 'moeten' is
60. Het antwoord dat hij gaf, maakte een domme indruk. 'dat' is
61. Ik heb me toen vergist. 'me' is
62. Dat hij ook zou komen, wist ik niet. 'Dat' is

  Voor velen zijn de zinsdelen en de woordsoorten stof van ‘lang geleden’ (en sommige studenten beweren delen daarvan nooit geleerd te hebben). Onder andere voor de werkwoordsspelling en de analyse en verbetering van de zinsbouw heb je die kennis nodig.

 

onderdeel ‘formuleren’

Bij dit onderdeel gaat het niet om de spelling en het gebruik van leestekens. Het gaat vooral om fouten in woordkeus en zinsbouw en om stijlfouten (o.a. pleonasme en contaminatie).

63. Ik hoorde dat hun ook komen. Deze zin is

64. Zij is volgens mij een jaar ouder dan jij. Deze zin is

65. Zij besefte zich dat toen helemaal niet. Deze zin bevat

66. De helft van de leerlingen was al snel klaar. Deze zin bevat

67. Dat is een meisje die altijd erg behulpzaam is. Deze zin bevat

68. Men wil de capaciteit zo optimaal mogelijk benutten. Deze zin bevat

69. Ik irriteerde me aan zijn gedrag. Deze zin bevat

70. Ik kon me dat toen niet zo goed herinneren. Deze zin bevat

info e-learning

aanmelden

terug naar de startpagina

© 2021  Ronald Zwiers